Toets "Enter" om naar de inhoud te gaan

Categorie: Dilts Oefening

Logische niveaus van Dilts

 

Het gedragsmodel van Bateson en Dilts

De antropoloog Gregory Bateson heeft in samenwerking met Robert Dilts een model voor gedragsverandering ontwikkeld, het model van de logische niveaus. Dit model gaat er van uit dat het onvoldoende is om alleen het gedrag van mensen te begrijpen en te kennen (en dus alleen op gedrag te sturen). Er zijn meer niveaus (innerlijke factoren) in het menselijke systeem die in relatie staan met het gedrag en daar invloed op hebben. De 6 logische niveaus geven een onderscheid in niveaus aan waarop doelen stellen, visie en missie op het persoonlijke vlak zich afspelen. Hierdoor ontstaan belangrijke vragen, zoals: houd ik met het formuleren van mijn doelen wel rekening met de context?

Welke capaciteiten heb ik en welke dien ik aan te leren om mijn missie en visie te bereiken?

Deze zes logische niveaus zijn volgens Dilts in samenhang belangrijk bij het veranderen van gedrag en het leren (zowel bewust als onbewust). Omdat Bateson en Dilts de logische niveaus vanuit een de systeemtheorie hebben ontwikkeld, werkt volgens hen een verandering op één niveau door op alle andere niveaus, zowel naar boven als naar beneden en visa versa. Waarbij gezegd moet worden dat interventies en veranderingen op een hoger niveau krachtiger doorwerken naar beneden dan andersom. Volgens Bateson en Dilts is een collectief gedragsprobleem terug te voeren naar een discrepantie met hogere niveaus in de hiërarchie binnen een organisatie.

Bateson gaat ervan uit dat medewerkers gedrag laten zien dat past en passend is in de omgeving waarin zij zich bevinden. Dat de organisatie dus gedrag van medewerkers krijgt dat hij verdient.

 

Dilts geeft ons een instrument om achter iemands gedrag te zoeken naar diens missie.

Vaardigheden zoals goed uitvragen en actief luisteren kunnen hierbij ingezet worden. Het vormt natuurlijk ook een goed instrument om een bestaande missie of visie te beoordelen.
Het model van de logische niveaus helpt ons dus:
• met het ontwikkelen van doelen, visie en missie
• met het achterhalen/helpen te verwoorden van iemands doelen, visie en missie
• met het beoordelen van doelen, visie en missie

De volgende logische niveaus zijn te onderscheiden:
Omgeving

Datgene waar we op reageren, wat ons omringt, de andere mensen met wie we in aanraking komen. Alles wat buiten het individu of de organisatie ligt.

 

 

Gedrag

De specifieke handelingen die we uitvoeren, ongeacht ons vermogen. Al datgene dat met een filmcamera vast te leggen valt. Dit is echter slechts het topje van de ijsberg.

 

Vaardigheden/Competenties

Vaardigheden, bekwaamheden, kwaliteiten, talenten, hulpbronnen en tactieken waar we in ons bestaan gebruik van maken.

 

Waarden/overtuigingen

Het scala van ideeën die we voor waar aanhouden en die we gebruiken als basis voor ons dagelijks handelen. Onze overtuigingen kunnen ons toestaan bepaalde dingen te doen, maar kunnen ons evenzeer beperkingen opleggen. Waarden zijn de dingen die we belangrijk vinden in het leven dat we leiden. Ook zij vormen een sterke sturing in ons handelen.

 

Identiteit

Het fundamentele ik-gevoel, hoe een persoon over zichzelf denkt.

Identiteit kunnen we op twee niveaus aangeven. Ten eerste ontlenen wij onze identiteit aan ons werk c.q. Onze maatschappelijke positie. Ten tweede vormt ons gedrag en met name hoe onze omgeving dat gedrag beoordeelt, ook onze identiteit.

 

Missie/Visie

Dit is het hoogste niveau, het fundament van ons bestaan. Het verwijst naar het grotere geheel, waarvan je deel uitmaakt.  Er worden vragen gesteld als: “waarom zijn wij hier?” En “wat is de zin van ons bestaan?” Op dit niveau heeft men het ook wel eens over een levensopdracht, ofwel een missie. Een verandering op dit niveau heeft onherroepelijk vele gevolgen op alle andere niveaus.

 

Reageer

Oefening met Logische niveaus van Dilts

 

Oefening met Logische niveau’s :

We doen deze oefening aan de hand van je werksituatie. Maar de oefening kan op allerlei situaties worden toegepast (vakantie, familie, hobby enzovoort).Kies een moment in jouw werksituatie in het nu of uit het verleden waarin jij jezelf goed voelde. Je werkte in een flow, je vergat de tijd. Of neem een “Topdag”, zo’n dag dat je voldaan en tevreden naar huisging en dacht: dit was een Topdag!

Omgeving:

Beschrijf de omgeving:

  • In wat voor omgeving bevind ik mij als ik aan het werk ben?
  • Met wie ben ik daar?
  • Welke middelen heb ik ter beschikking om mijn werk te doen?

____________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Gedrag:

Om in de omgeving resultaat te kunnen behalen moet je gedrag vertonen. Beschrijf je gedrag op dat moment. Wat doe ik feitelijk? Dus welk gedrag vertoon ik.

Stel je voor, er wordt een opname gemaakt van je werkzaamheden, wat zien de toeschouwers dan?________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Vaardigheden en Competenties

Om gedrag te kunnen vertonen heb je ook het vermogen daartoe nodig. Welke vermogens heb ik in huis om dat gedrag vorm te kunnen geven? Welke vaardigheden zijn dat dan en welke competenties?________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Identiteit:

Wat zeggen die waarden en overtuigingen over wie ik ben? Wat voor soort iemand ben ik? Wat voor metafoor, beeld past daarbij?________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Missie/Visie

Je kunt iemand zijn, een identiteit hebben en deze past in het grotere geheel.

  • Waartoe doe je wat je doet?
  • Hoe past je bijdrage in het groter geheel?
  • Waar word je door geïnspireerd?

Wat is je visie, je missie?

________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Met het beantwoorden van deze vragen ben je langs de zes niveaus van Dilts gegaan. Je kunt de antwoorden vanaf het niveau van de visie/missie nu naar beneden toe (naar het omgevingsniveau) zachtjes voor jezelf voorlezen.
Belangrijke vragen zijn:
> welk niveau vind je lastig te beantwoorden?
> zit er ergens een ‘knik’ tussen de niveaus? Is er geen logische overgang tussen de niveaus? Het kan bijvoorbeeld zijn dat wat je doet niet strookt met je overtuigingen. Dat maakt het werken waarschijnlijk lastig en vermoeiend.

Reageer